PASSO DA QUI
NL.png decreteren

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • decreteren

O.t.t. (Present)

  • decreteerde
  • decreteerde
  • decreteerde
  • decreteerde
  • decreteerden
  • decreteerden
  • decreteerden
 

O.v.t. (Past)

  • zal decreteren
  • zult decreteren
  • zal decreteren
  • zult decreteren
  • zult decreteren
  • zullen decreteren
  • zullen decreteren

O.t.t.t. (Future)

  • had gedecreteerd
  • had gedecreteerd
  • had gedecreteerd
  • had gedecreteerd
  • hadden gedecreteerd
  • hadden gedecreteerd
  • hadden gedecreteerd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gedecreteerd
  • hebt gedecreteerd
  • heeft gedecreteerd
  • hebt gedecreteerd
  • hebben gedecreteerd
  • hebben gedecreteerd
  • hebben gedecreteerd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gedecreteerd hebben
  • zult gedecreteerd hebben
  • zal gedecreteerd hebben
  • zult gedecreteerd hebben
  • zult gedecreteerd hebben
  • zullen gedecreteerd hebben
  • zullen gedecreteerd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gedecreteerd hebben
  • zou gedecreteerd hebben
  • zou gedecreteerd hebben
  • zou gedecreteerd hebben
  • zouden gedecreteerd hebben
  • zouden gedecreteerd hebben
  • zouden gedecreteerd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden gedecreteerd
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden gedecreteerd
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen gedecreteerd worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden gedecreteerd worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn gedecreteerd
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was gedecreteerd
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen gedecreteerd zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden gedecreteerd zijn
  •