PASSO DA QUI
NL.png decoreren

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • decoreren

O.t.t. (Present)

  • decoreeerde
  • decoreeerde
  • decoreerde
  • decoreeerde
  • decoreerden
  • decoreerden
  • decoreerden
 

O.v.t. (Past)

  • zal decoreren
  • zult decoreren
  • zal decoreren
  • zult decoreren
  • zult decoreren
  • zullen decoreren
  • zullen decoreren

O.t.t.t. (Future)

  • had gedecoreerd
  • had gedecoreerd
  • had gedecoreerd
  • had gedecoreerd
  • hadden gedecoreerd
  • hadden gedecoreerd
  • hadden gedecoreerd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gedecoreerd
  • hebt gedecoreerd
  • heeft gedecoreerd
  • hebt gedecoreerd
  • hebben gedecoreerd
  • hebben gedecoreerd
  • hebben gedecoreerd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gedecoreerd hebben
  • zult gedecoreerd hebben
  • zal gedecoreerd hebben
  • zult gedecoreerd hebben
  • zult gedecoreerd hebben
  • zullen gedecoreerd hebben
  • zullen gedecoreerd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gedecoreerd hebben
  • zou gedecoreerd hebben
  • zou gedecoreerd hebben
  • zou gedecoreerd hebben
  • zouden gedecoreerd hebben
  • zouden gedecoreerd hebben
  • zouden gedecoreerd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden gedecoreerd
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden gedecoreerd
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen gedecoreerd worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden gedecoreerd worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn gedecoreerd
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was gedecoreerd
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen gedecoreerd zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden gedecoreerd zijn
  •