PASSO DA QUI
NL.png decimeren

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • decimeren

O.t.t. (Present)

  • decimeerde
  • decimeerde
  • decimeerde
  • decimeerde
  • decimeerden
  • decimeerden
  • decimeerden
 

O.v.t. (Past)

  • zal decimeren
  • zult decimeren
  • zal decimeren
  • zult decimeren
  • zult decimeren
  • zullen decimeren
  • zullen decimeren

O.t.t.t. (Future)

  • had gedecimeerd
  • had gedecimeerd
  • had gedecimeerd
  • had gedecimeerd
  • hadden gedecimeerd
  • hadden gedecimeerd
  • hadden gedecimeerd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gedecimeerd
  • hebt gedecimeerd
  • heeft gedecimeerd
  • hebt gedecimeerd
  • hebben gedecimeerd
  • hebben gedecimeerd
  • hebben gedecimeerd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gedecimeer hebben
  • zult gedecimeer hebben
  • zal gedecimeer hebben
  • zult gedecimeer hebben
  • zult gedecimeer hebben
  • zullen gedecimeer hebben
  • zullen gedecimeerd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gedecimeer hebben
  • zou gedecimeer hebben
  • zou gedecimeerd hebben
  • zou gedecimeer hebben
  • zouden gedecimeer hebben
  • zouden gedecimeer hebben
  • zouden gedecimeerd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden gedecimeerd
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden gedecimeerd
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen gedecimeerd worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden gedecimeerd worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn gedecimeerd
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was gedecimeerd
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen gedecimeerd zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden gedecimeerd zijn
  •