PASSO DA QUI
NL.png debatteren

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • debatteren

O.t.t. (Present)

  • debatteerde
  • debatteerde
  • debatteerde
  • debatteerde
  • debatteerden
  • debatteerden
  • debatteerden
 

O.v.t. (Past)

  • zal debatteren
  • zult debatteren
  • zal debatteren
  • zult debatteren
  • zult debatteren
  • zullen debatteren
  • zullen debatteren

O.t.t.t. (Future)

  • had gedebatteerd
  • had gedebatteerd
  • had gedebatteerd
  • had gedebatteerd
  • hadden gedebatteerd
  • hadden gedebatteerd
  • hadden gedebatteerd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gedebatteerd
  • hebt gedebatteerd
  • heeft gedebatteerd
  • hebt gedebatteerd
  • hebben gedebatteerd
  • hebben gedebatteerd
  • hebben gedebatteerd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gedebatteerd hebben
  • zult gedebatteerd hebben
  • zal gedebatteerd hebben
  • zult gedebatteerd hebben
  • zult gedebatteerd hebben
  • zullen gedebatteerd hebben
  • zullen gedebatteerd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gedebatteerd hebben
  • zou gedebatteerd hebben
  • zou gedebatteerd hebben
  • zou gedebatteerd hebben
  • zouden gedebatteerd hebben
  • zouden gedebatteerd hebben
  • zouden gedebatteerd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • *
  •  

O.v.t. (Past)

  • *
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • *
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • *
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • *
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • *
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • *
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • *
  •