PASSO DA QUI
NL.png dateren

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • dateren

O.t.t. (Present)

  • dateerde
  • dateerde
  • dateerde
  • dateerde
  • dateerden
  • dateerden
  • dateerden
 

O.v.t. (Past)

  • zal dateren
  • zult dateren
  • zal dateren
  • zult dateren
  • zult dateren
  • zullen dateren
  • zullen dateren

O.t.t.t. (Future)

  • had gedateerd
  • had gedateerd
  • had gedateerd
  • had gedateerd
  • hadden gedateerd
  • hadden gedateerd
  • hadden gedateerd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gedateerd
  • hebt gedateerd
  • heeft gedateerd
  • hebt gedateerd
  • hebben gedateerd
  • hebben gedateerd
  • hebben gedateerd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gedateerd hebben
  • zult gedateerd hebben
  • zal gedateerd hebben
  • zult gedateerd hebben
  • zult gedateerd hebben
  • zullen gedateerd hebben
  • zullen gedateerd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gedateerd hebben
  • zou gedateerd hebben
  • zou gedateerd hebben
  • zou gedateerd hebben
  • zouden gedateerd hebben
  • zouden gedateerd hebben
  • zouden gedateerd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden gedateerd
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden gedateerd
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen gedateerd worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden gedateerd worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn gedateerd
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was gedateerd
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen gedateerd zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden gedateerd zijn
  •