PASSO DA QUI
NL.png achterafbrengen

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • achterafbrengen

O.t.t. (Present)

  • bracht achteraf
  • bracht achteraf
  • bracht achteraf
  • bracht achteraf
  • brachten achteraf
  • brachten achteraf
  • brachten achteraf
 

O.v.t. (Past)

  • zal achterafbrengen
  • zult achterafbrengen
  • zal achterafbrengen
  • zult achterafbrengen
  • zult achterafbrengen
  • zullen achterafbrengen
  • zullen achterafbrengen

O.t.t.t. (Future)

  • had achterafgebracht
  • had achterafgebracht
  • had achterafgebracht
  • had achterafgebracht
  • hadden achterafgebracht
  • hadden achterafgebracht
  • hadden achterafgebracht
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb achterafgebracht
  • hebt achterafgebracht
  • heeft achterafgebracht
  • hebt achterafgebracht
  • hebben achterafgebracht
  • hebben achterafgebracht
  • hebben achterafgebracht

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal achterafgebracht hebben
  • zult achterafgebracht hebben
  • zal achterafgebracht hebben
  • zult achterafgebracht hebben
  • zult achterafgebracht hebben
  • zullen achterafgebracht hebben
  • zullen achterafgebracht hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou achterafgebracht hebben
  • zou achterafgebracht hebben
  • zou achterafgebracht hebben
  • zou achterafgebracht hebben
  • zouden achterafgebracht hebben
  • zouden achterafgebracht hebben
  • zouden achterafgebracht hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden achterafgebracht
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden achterafgebracht
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen achterafgebracht worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden achterafgebracht worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn achterafgebracht
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was achterafgebracht
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen achterafgebracht zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden achterafgebracht zijn
  •