PASSO DA QUI
NL.png aantreffen

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • aantreffen

O.t.t. (Present)

  • trof aan
  • trof aan
  • trof aa
  • trof aan
  • troffen aan
  • troffen aan
  • troffen aan
 

O.v.t. (Past)

  • zal aantreffen
  • zult aantreffen
  • zal aantreffen
  • zult aantreffen
  • zult aantreffen
  • zullen aantreffen
  • zullen aantreffen

O.t.t.t. (Future)

  • had aangetroffen
  • had aangetroffen
  • had aangetroffen
  • had aangetroffen
  • hadden aangetroffen
  • hadden aangetroffen
  • hadden aangetroffen
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb aangetroffen
  • hebt aangetroffen
  • heeft aangetroffen
  • hebt aangetroffen
  • hebben aangetroffen
  • hebben aangetroffen
  • hebben aangetroffen

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal aangetroffen hebben
  • zult aangetroffen hebben
  • zal aangetroffen hebben
  • zult aangetroffen hebben
  • zult aangetroffen hebben
  • zullen aangetroffen hebben
  • zullen aangetroffen hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou aangetroffen hebben
  • zou aangetroffen hebben
  • zou aangetroffen hebben
  • zou aangetroffen hebben
  • zouden aangetroffen hebben
  • zouden aangetroffen hebben
  • zouden aangetroffen hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden aangetroffen
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden aangetroffen
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen aangetroffen worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden aangetroffen worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn aangetroffen
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was aangetroffen
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen aangetroffen zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden aangetroffen zijn
  •