PASSO DA QUI
NL.png aangrinniken

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • aangrinniken

O.t.t. (Present)

  • grinnikte aan
  • grinnikte aan
  • grinnikte aan
  • grinnikte aan
  • grinnikten aan
  • grinnikten aan
  • grinnikten aan
 

O.v.t. (Past)

  • zal aangrinniken
  • zult aangrinniken
  • zal aangrinniken
  • zult aangrinniken
  • zult aangrinniken
  • zullen aangrinniken
  • zullen aangrinniken

O.t.t.t. (Future)

  • had aangegrinnikt
  • had aangegrinnikt
  • had aangegrinnikt
  • had aangegrinnikt
  • hadden aangegrinnikt
  • hadden aangegrinnikt
  • hadden aangegrinnikt
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb aangegrinnikt
  • hebt aangegrinnikt
  • heeft aangegrinnikt
  • hebt aangegrinnikt
  • hebben aangegrinnikt
  • hebben aangegrinnikt
  • hebben aangegrinnikt

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal aangegrinnikt hebben
  • zult aangegrinnikt hebben
  • zal aangegrinnikt hebben
  • zult aangegrinnikt hebben
  • zult aangegrinnikt hebben
  • zullen aangegrinnikt hebben
  • zullen aangegrinnikt hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou aangegrinnikt hebben
  • zou aangegrinnikt hebben
  • zou aangegrinnikt hebben
  • zou aangegrinnikt hebben
  • zouden aangegrinnikt hebben
  • zouden aangegrinnikt hebben
  • zouden aangegrinnikt hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden aangegrinnikt
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden aangegrinnikt
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen aangegrinnikt worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden aangegrinnikt worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn aangegrinnikt
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was aangegrinnikt
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen aangegrinnikt zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden aangegrinnikt zijn
  •