PASSO DA QUI
NL.png aanglijden

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • aanglijden

O.t.t. (Present)

  • gleed aan
  • gleed aan
  • gleed aan
  • gleed aan
  • gleden aan
  • gleden aan
  • gleden aan
 

O.v.t. (Past)

  • zal aanglijden
  • zult aanglijden
  • zal aanglijden
  • zult aanglijden
  • zult aanglijden
  • zullen aanglijden
  • zullen aanglijden

O.t.t.t. (Future)

  • was aangegleden
  • was aangegleden
  • was aangegleden
  • was aangegleden
  • waren aangegleden
  • waren aangegleden
  • waren aangegleden
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • ben aangegleden
  • bent aangegleden
  • is aangegleden
  • bent aangegleden
  • zijn aangegleden
  • zijn aangegleden
  • zijn aangegleden

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal aangegleden zijn
  • zult aangegleden zijn
  • zal aangegleden zijn
  • zult aangegleden zijn
  • zult aangegleden zijn
  • zullen aangegleden zijn
  • zullen aangegleden zijn
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou aangegleden zijn
  • zou aangegleden zijn
  • zou aangegleden zijn
  • zou aangegleden zijn
  • zouden aangegleden zijn
  • zouden aangegleden zijn
  • zouden aangegleden zijn

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • *
  •  

O.v.t. (Past)

  • *
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • *
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • *
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • *
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • *
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • *
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • *
  •