NL.png afstuderen

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • afstuderen

O.t.t. (Present)

  • studeerde af
  • studeerde af
  • studeerde af
  • studeerde af
  • studeerden af
  • studeerden af
  • studeerden af
 

O.v.t. (Past)

  • zal afstuderen
  • zult afstuderen
  • zal afstuderen
  • zult afstuderen
  • zult afstuderen
  • zullen afstuderen
  • zullen afstuderen

O.t.t.t. (Future)

  • was afgestudeerd
  • was afgestudeerd
  • was afgestudeerd
  • was afgestudeerd
  • waren afgestudeerd
  • waren afgestudeerd
  • waren afgestudeerd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • ben afgestudeerd
  • bent afgestudeerd
  • is afgestudeerd
  • bent afgestudeerd
  • zijn afgestudeerd
  • zijn afgestudeerd
  • zijn afgestudeerd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal afgestudeerd zijn
  • zult afgestudeerd zijn
  • zal afgestudeerd zijn
  • zult afgestudeerd zijn
  • zult afgestudeerd zijn
  • zullen afgestudeerd zijn
  • zullen afgestudeerd zijn
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou afgestudeerd zijn
  • zou afgestudeerd zijn
  • zou afgestudeerd zijn
  • zou afgestudeerd zijn
  • zouden afgestudeerd zijn
  • zouden afgestudeerd zijn
  • zouden afgestudeerd zijn

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • *
  •  

O.v.t. (Past)

  • *
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • *
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • *
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • *
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • *
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • *
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • *
  •