PASSO DA QUI
NL.png winkelen

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • winkelen

O.t.t. (Present)

  • winkelde
  • winkelde
  • winkelde
  • winkelde
  • winkelden
  • winkelden
  • winkelden
 

O.v.t. (Past)

  • zal winkelen
  • zult winkelen
  • zal winkelen
  • zult winkelen
  • zult winkelen
  • zullen winkelen
  • zullen winkelen

O.t.t.t. (Future)

  • had gewinkeld
  • had gewinkeld
  • had gewinkeld
  • had gewinkeld
  • hadden gewinkeld
  • hadden gewinkeld
  • hadden gewinkeld
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gewinkeld
  • hebt gewinkeld
  • heeft gewinkeld
  • hebt gewinkeld
  • hebben gewinkeld
  • hebben gewinkeld
  • hebben gewinkeld

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gewinkeld hebben
  • zult gewinkeld hebben
  • zal gewinkeld hebben
  • zult gewinkeld hebben
  • zult gewinkeld hebben
  • zullen gewinkeld hebben
  • zullen gewinkeld hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gewinkeld hebben
  • zou gewinkeld hebben
  • zou gewinkeld hebben
  • zou gewinkeld hebben
  • zouden gewinkeld hebben
  • zouden gewinkeld hebben
  • zouden gewinkeld hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • *
  •  

O.v.t. (Past)

  • *
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • *
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • *
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • *
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • *
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • *
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • *
  •