PASSO DA QUI
NL.png waarschuwen

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • waarschuwen

O.t.t. (Present)

  • waarschuwde
  • waarschuwde
  • waarschuwde
  • waarschuwde
  • waarschuwden
  • waarschuwden
  • waarschuwden
 

O.v.t. (Past)

  • zal waarschuwen
  • zult waarschuwen
  • zal waarschuwen
  • zult waarschuwen
  • zult waarschuwen
  • zullen waarschuwen
  • zullen waarschuwen

O.t.t.t. (Future)

  • had gewaarschuwd
  • had gewaarschuwd
  • had gewaarschuwd
  • had gewaarschuwd
  • hadden gewaarschuwd
  • hadden gewaarschuwd
  • hadden gewaarschuwd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gewaarschuwd
  • hebt gewaarschuwd
  • heeft gewaarschuwd
  • hebt gewaarschuwd
  • hebben gewaarschuwd
  • hebben gewaarschuwd
  • hebben gewaarschuwd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gewaarschuwd hebben
  • zult gewaarschuwd hebben
  • zal gewaarschuwd hebben
  • zult gewaarschuwd hebben
  • zult gewaarschuwd hebben
  • zullen gewaarschuwd hebben
  • zullen gewaarschuwd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gewaarschuwd hebben
  • zou gewaarschuwd hebben
  • zou gewaarschuwd hebben
  • zou gewaarschuwd hebben
  • zouden gewaarschuwd hebben
  • zouden gewaarschuwd hebben
  • zouden gewaarschuwd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden gewaarschuwd
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden gewaarschuwd
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen gewaarschuwd worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden gewaarschuwd worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn gewaarschuwd
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was gewaarschuwd
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen gewaarschuwd zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden gewaarschuwd zijn
  •