PASSO DA QUI
NL.png weergeven

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • weergeven

O.t.t. (Present)

  • gaf weer
  • gaf weer
  • gaf weer
  • gaf weer
  • gaven weer
  • gaven weer
  • gaven weer
 

O.v.t. (Past)

  • zal weergeven
  • zult weergeven
  • zal weergeven
  • zult weergeven
  • zult weergeven
  • zullen weergeven
  • zullen weergeven

O.t.t.t. (Future)

  • had weergegeven
  • had weergegeven
  • had weergegeven
  • had weergegeven
  • hadden weergegeven
  • hadden weergegeven
  • hadden weergegeven
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb weergegeven
  • hebt weergegeven
  • heeft weergegeven
  • hebt weergegeven
  • hebben weergegeven
  • hebben weergegeven
  • hebben weergegeven

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal weergegeven hebben
  • zult weergegeven hebben
  • zal weergegeven hebben
  • zult weergegeven hebben
  • zult weergegeven hebben
  • zullen weergegeven hebben
  • zullen weergegeven hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou weergegeven hebben
  • zou weergegeven hebben
  • zou weergegeven hebben
  • zou weergegeven hebben
  • zouden weergegeven hebben
  • zouden weergegeven hebben
  • zouden weergegeven hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden weergegeven
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden weergegeven
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen weergegeven worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden weergegeven worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn weergegeven
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was weergegeven
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen weergegeven zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden weergegeven zijn
  •