PASSO DA QUI
NL.png machtigen

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • machtigen

O.t.t. (Present)

  • machtigde
  • machtigde
  • machtigde
  • machtigde
  • machtigden
  • machtigden
  • machtigden
 

O.v.t. (Past)

  • zal machtigen
  • zult machtigen
  • zal machtigen
  • zult machtigen
  • zult machtigen
  • zullen machtigen
  • zullen machtigen

O.t.t.t. (Future)

  • had gemachtigd
  • had gemachtigd
  • had gemachtigd
  • had gemachtigd
  • hadden gemachtigd
  • hadden gemachtigd
  • hadden gemachtigd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb gemachtigd
  • hebt gemachtigd
  • heeft gemachtigd
  • hebt gemachtigd
  • hebben gemachtigd
  • hebben gemachtigd
  • hebben gemachtigd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal gemachtigd hebben
  • zult gemachtigd hebben
  • zal gemachtigd hebben
  • zult gemachtigd hebben
  • zult gemachtigd hebben
  • zullen gemachtigd hebben
  • zullen gemachtigd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou gemachtigd hebben
  • zou gemachtigd hebben
  • zou gemachtigd hebben
  • zou gemachtigd hebben
  • zouden gemachtigd hebben
  • zouden gemachtigd hebben
  • zouden gemachtigd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden gemachtigd
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden gemachtigd
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen gemachtigd worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden gemachtigd worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn gemachtigd
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was gemachtigd
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen gemachtigd zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden gemachtigd zijn
  •