NL.png betwisten

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • betwisten

O.t.t. (Present)

  • betwistte
  • betwistte
  • betwistte
  • betwistte
  • betwistten
  • betwistten
  • betwistten
 

O.v.t. (Past)

  • zal betwisten
  • zult betwisten
  • zal betwisten
  • zult betwisten
  • zult betwisten
  • zullen betwisten
  • zullen betwisten

O.t.t.t. (Future)

  • had betwist
  • had betwist
  • had betwist
  • had betwist
  • hadden betwist
  • hadden betwist
  • hadden betwist
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb betwist
  • hebt betwist
  • heeft betwist
  • hebt betwist
  • hebben betwist
  • hebben betwist
  • hebben betwist

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal betwist hebben
  • zult betwist hebben
  • zal betwist hebben
  • zult betwist hebben
  • zult betwist hebben
  • zullen betwist hebben
  • zullen betwist hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou betwist hebben
  • zou betwist hebben
  • zou betwist hebben
  • zou betwist hebben
  • zouden betwist hebben
  • zouden betwist hebben
  • zouden betwist hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden betwist
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden betwist
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen betwist worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden betwist worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn betwist
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was betwist
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen betwist zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden betwist zijn
  •