NL.png doorbrengen

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • doorbrengen

O.t.t. (Present)

  • bracht door
  • bracht door
  • bracht door
  • bracht door
  • brachten door
  • brachten door
  • brachten door
 

O.v.t. (Past)

  • zal doorbrengen
  • zult doorbrengen
  • zal doorbrengen
  • zult doorbrengen
  • zult doorbrengen
  • zullen doorbrengen
  • zullen doorbrengen

O.t.t.t. (Future)

  • had doorgebracht
  • had doorgebracht
  • had doorgebracht
  • had doorgebracht
  • *
  • *
  • hadden doorgebracht
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb doorgebracht
  • hebt doorgebracht
  • heeft doorgebracht
  • hebt doorgebracht
  • hebben doorgebracht
  • hebben doorgebracht
  • hebben doorgebracht

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal doorgebracht hebben
  • zult doorgebracht hebben
  • zal doorgebracht hebben
  • zult doorgebracht hebben
  • zult doorgebracht hebben
  • zullen doorgebracht hebben
  • zullen doorgebracht hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou doorgebracht hebben
  • zou doorgebracht hebben
  • zou doorgebracht hebben
  • zou doorgebracht hebben
  • zouden doorgebracht hebben
  • zouden doorgebracht hebben
  • zouden doorgebracht hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden doorgebracht hebben
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden doorgebracht hebben
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen doorgebracht hebben worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden doorgebracht hebben worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn doorgebracht hebben
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was doorgebracht hebben
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen doorgebracht hebben zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden doorgebracht hebben zijn
  •