NL.png adviseren

INDICATIVE ACTIVE

Infinitive

  • adviseren

O.t.t. (Present)

  • adviseerde
  • adviseerde
  • adviseerde
  • adviseerde
  • adviseerden
  • adviseerden
  • adviseerden
 

O.v.t. (Past)

  • zal adviseren
  • zult adviseren
  • zal adviseren
  • zult adviseren
  • zult adviseren
  • zullen adviseren
  • zullen adviseren

O.t.t.t. (Future)

  • had geadviseerd
  • had geadviseerd
  • had geadviseerd
  • had geadviseerd
  • *
  • *
  • hadden geadviseerd
 

O.v.t.t. (Condicional)

  • heb geadviseerd
  • hebt geadviseerd
  • heeft geadviseerd
  • hebt geadviseerd
  • hebben geadviseerd
  • hebben geadviseerd
  • hebben geadviseerd

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zal geadviseerd hebben
  • zult geadviseerd hebben
  • zal geadviseerd hebben
  • zult geadviseerd hebben
  • zult geadviseerd hebben
  • zullen geadviseerd hebben
  • zullen geadviseerd hebben
 

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zou geadviseerd hebben
  • zou geadviseerd hebben
  • zou geadviseerd hebben
  • zou geadviseerd hebben
  • zouden geadviseerd hebben
  • zouden geadviseerd hebben
  • zouden geadviseerd hebben

LIJDENDE VORM (SYNOPSIS)

O.t.t. (Present)

  • worden geadviseerd hebben
  •  

O.v.t. (Past)

  • worden geadviseerd hebben
  •  
 

O.t.t.t. (Future)

  • zullen geadviseerd hebben worden
  •  

O.v.t.t. (Condicional)

  • zouden geadviseerd hebben worden
  •  
 

V.t.t. (Present Perfect)

  • zijn geadviseerd hebben
  •  

V.v.t. (Past Perfect)

  • was geadviseerd hebben
  •  
 

V.t.t.t. (Future Perfect)

  • zullen geadviseerd hebben zijn
  •  

v.v.t.t. (Conditional Perfect)

  • zouden geadviseerd hebben zijn
  •